vakantiedag
mannelijk (de)/vaˈkɑn(t)siˌdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een dag dat je niet hoeft te werken maar waarop het loon wel wordt doorbetaaldIedere werknemer heeft recht op 20 vakantiedagen bij een volledige baan.Er zijn verplichte vakantiedagen en vakantiedagen die men vrij kan opnemen.
Vertalingen
Engelsday off
Fransjour de congé
DuitsUrlaubstag
Spaansdía libre
Zweedsfridag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek