vakantiewoning
vrouwelijk (de)/vaˈkɑn(t)siˌwonɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- huisje of andere woning waar mensen in een periode dat ze niet hoeven te werken verblijven om zich te ontspannenAls scholier en student fietste ik ’s zomers duizenden kilometers en kampeerde wild in knollenvelden achter boerderijen. Wat waren wij eenvoudig toen. Later, met mijn jonge gezin, ontdekten we de vreugde van de vakantiewoning. Fraaie ligging, goed ingerichte keuken, maar vaak een te kort bed (…)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek