valhoogte

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de afstand die een vallend voorwerp verticaal aflegt
    Bijna twee jaar geleden werd het probleem met de gevel opgemerkt. De toren zelf staat niet op instorten, maar de vallende stukjes baksteen vormen een gevaar. Verbrugge: "Als je dat bij deze valhoogte op je hoofd krijgt overleef je het niet."
    Met een valhoogte van een meter voor het heiblok was berekend dat de paal met elke slag zestien millimeter zakte Het waren kleine stapjes, maar altijd vooruit.