Van

/vɑn/

Betekenis

voorzetsel
  1. geeft bezit aan
    Die fiets is van mij.
  2. geeft herkomst aan
    Hij komt van ver.
  3. geeft oorzaak aan
    Hij verrekte van de honger.
  4. tussenvoegsel in familienamen
    De namen van de voetballers Willem van Hanegem en Franky Van der Elst laten een verschil in schrijfwijze tussen Nederland en Vlaanderen zien.
  5. quotatief: luidt een citaat of gedachte in (synoniem: "als")
    Ik heb zoiets van: "Nu of nooit!"
  6. geeft een eigenschap aan
    Dit is een hemd van katoen.
    De titel van het boek is "In de ban van de ring".
  7. geeft het tijdsbestek aan waarbinnen iets gebeurt
    Wij gaan van de zomer naar Frankrijk.
  8. ook: van … af: (Belgisch-Nederlands) geeft het begin van een tijdsverloop aan, sinds
    Johan is van zijn jeugd al actief betrokken bij alles wat natuur in het hart draagt.

Etymologie

:: von, (: fona, fon), Oudsaksisch: fana, fan, : fan (Oudfries: fan, fon)

Uitdrukkingen

  • als ik van u was
  • een koekje van eigen deeg krijgen
  • er het hart van in zijn
  • gewend van
  • hart van koekebrood
  • met inbegrip van
  • naar aanleiding van
  • omwille van

Vertalingen

Engelsof, from
Fransde, de
Duitsvon, von