vapeur
mannelijk (de)/vaˈpør/
Wat is de betekenis van vapeur?
vapeur betekent: (medisch) oprisping, dampen, hinderlijke uitstoot van maagdampen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) oprisping, dampen, hinderlijke uitstoot van maagdampen
- (medisch) opvlieger, onprettig warm gevoel waar vrouwen in de overgang soms bij vlagen last van hebben
- (verouderd) (België) stoomtrein, spoortrein
- (veeteelt) (België) rail waarlangs of wagentje waarop de koeketel om 's winters het veevoer in op te warmen, naar de stal werd gereden
zelfstandig naamwoord
- mousseline, fijn, dun weefsel van katoen
Voorbeelden van "vapeur" in een zin
- "Verontschuldig mijn onaangediend bezoek", sprak de edelman met zwakke stem. "Ik voel echter een vapeur aankomen... Een glaasje water is alles wat ik vraag."
- Ik ben er wel zeker van dat tante Agaath terstond een vapeur gekregen zou hebben als ze had geweten dat anno 1978 farmaceutische heren een pil uitvonden om bruin te worden.
- Als ik den eersten keer den vapeur zag komen aangestormd ('t was op onze gewezen Vrijdagmarkt te Brugge), hewel, ik mag u verzekeren dat er mij iets door en door mijn lichaam kroop, gelijk een soort van godvreezende schrik!
- Op een schilderij van A. Koekkoek uit de jaren 1920, dat bij familie bewaard is, is die haard afgebeeld voorzien van een z.g. “vapeur”, een richel door middel waarvan de koeketel, hangend aan een vijshaal, via een deur naar de dieren kon worden verschoven (…).
- Vapeur, een weefsel, fijner dan mousselin, en iets losser, uit garen van No. 120-220, met 3000 à 4000 scheringdraden op een el.
Etymologie
*(n): van "Vapeur"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek