varen
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvarə(n)/
Wat is de betekenis van varen?
varen betekent: (scheepvaart) zich in een vaartuig voortbewegen
Betekenis
werkwoord
- (scheepvaart) zich in een vaartuig voortbewegen
- (verouderd), (Vlaanderen, Limburg) zich voortbewegen
- (verouderd) gezegd van iemands gesteldheid in het algemeen
- (Limburg) autorijden[http://www.dbnl.org/tekst/_die004190901_01/_die004190901_01_0019.php Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1909, dbnl.org]
werkwoord
- (verouderd), (onpr) onwennig voorkomen, niet meevallen
zelfstandig naamwoord
- benaming voor sporenplanten die de afdeling vormen
Voorbeelden van "varen" in een zin
- Het schip vaart de haven uit.
- 'Door dat mens van Jans varen er tegenwoordig niet veel dames meer mee, en dat is maar goed ook,' had Nella's vader ooit opgemerkt.
- Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren!
- Hij voer ten hemel.
- Jan, Jan, Dubbele Jan, waar zijde gij heen gevaren?[http://www.liedjeskist.nl/liedjes_a-z/d-liedjes/dubbele_jan.htm liedjeskist.nl]
Etymologie
*[C] via Middelnederlands "varen" van Oudnederlands "farn"
Uitdrukkingen
- Ergens wel bij varen — Ergens voordeel van hebben
- Iets laten varen — Ergens van afzien / Iets laten voor wat het is
- Wat is in hem gevaren? — Wat bezielt hem ineens? (negatief)
Vertalingen
Engelssail, drive, fern
Fransfougère
DuitsFarne
Spaanshelecho
Italiaansfelce
Poolspaproć
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek