vastgoed
Wat is de betekenis van vastgoed?
vastgoed betekent: (economie), (juridisch) goed [2] dat niet verplaatsbaar is
Betekenis
- (economie), (juridisch) goed [2] dat niet verplaatsbaar is
Voorbeelden van "vastgoed" in een zin
- Het vastgoed werd tegen te hoge prijzen verkocht.
Betekenis en uitleg van vastgoed
Vastgoed verwijst naar onroerend goed, zoals huizen, appartementen, commerciële panden en grond. Het omvat alles wat niet verplaatst kan worden en meestal een aanzienlijke waarde heeft, zoals gebouwen en de grond waarop ze staan.
Het woord 'vastgoed' wordt vaak gebruikt in de vastgoedsector, bijvoorbeeld bij het kopen, verkopen of verhuren van onroerend goed. Het heeft ook juridische en financiële implicaties, zoals bij hypotheken en vastgoedbeleggingen. In de context van beleggen kan vastgoed een manier zijn om waarde op te bouwen en inkomen te genereren.
Voorbeelden
- Hij heeft recentelijk een prachtig vastgoed gekocht aan de kust.
- De vastgoedmarkt is de laatste jaren sterk gegroeid, met veel nieuwe projecten in ontwikkeling.
- Zij werkt als makelaar en helpt klanten bij het vinden van hun ideale vastgoed.
Woordoorsprong
Het woord 'vastgoed' is samengesteld uit 'vast', wat verwijst naar iets dat niet beweeglijk is, en 'goed', wat in deze context iets van waarde betekent.
Veelgestelde vragen over vastgoed
Wat is de betekenis van vastgoed?
vastgoed betekent: (economie), (juridisch) goed [2] dat niet verplaatsbaar is
Welk woordgeslacht heeft vastgoed?
vastgoed is een onzijdig (het).
Wat zijn synoniemen van vastgoed?
Synoniemen van vastgoed zijn: onroerend goed, onroerende zaak, immobiliën.
Hoe gebruik je vastgoed in een zin?
Voorbeeld: “Het vastgoed werd tegen te hoge prijzen verkocht.”
Etymologie
* In de betekenis van ‘onroerend goed’ voor het eerst aangetroffen in 1886