veelvuldigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het grote aantal
    Dat de verdachte en zijn partner vaak seks met elkaar hadden, maakte het besmettingsrisico wel iets hoger, stelt de raad, maar die veelvuldigheid kan niet worden aangemerkt als een bijzondere, risicoverhogende omstandigheid. Het Parool 20 februari 2007, [https://www.parool.nl/nieuws/vrijspraak-van-opzet-hiv-besmetting~b7c43abe/ Vrijspraak van opzet HIV-besmetting]

Etymologie

* afleiding van veelkleurig

Vertalingen

Engelsnumber of times, frequency