veinzen
Wat is de betekenis van veinzen?
veinzen betekent: (inerg) zich onecht voordoen, iemand in de waan trachten te brengen
Betekenis
- (inerg) zich onecht voordoen, iemand in de waan trachten te brengen
- (ov) voorwenden, valselijk doen blijken
Voorbeelden van "veinzen" in een zin
- Hij veinsde er niets mee te maken te hebben, ook al was hij de voornaamste boosdoener.
- Hij veinsde een lachje
Betekenis en uitleg van veinzen
Veinzen betekent doen alsof of iets in scène zetten zonder dat het echt is. Het gaat vaak om het tonen van een bepaalde houding of emotie die niet oprecht is, alsof je een rol speelt.
Dit woord wordt vaak gebruikt in situaties waar iemand zich anders voordoet dan hij of zij werkelijk is, bijvoorbeeld in sociale interacties of bij het tonen van gevoelens. Veinzen kan ook betrekking hebben op het simuleren van kennis of ervaring die men niet heeft. Het heeft vaak een negatieve connotatie, omdat het de oprechtheid ondermijnt.
Voorbeelden
- Tijdens het gesprek met haar baas besloot ze te veinzen dat ze de situatie onder controle had, terwijl ze zich eigenlijk overweldigd voelde.
- Hij veinste interesse in de hobby's van zijn vriendin, maar in werkelijkheid vond hij ze saai.
- De acteur was zo goed in het veinzen van emoties dat het publiek in tranen was, zonder te beseffen dat het allemaal gespeeld was.
Woordoorsprong
Het woord 'veinzen' is afgeleid van het Middelnederlandse 'veinzen', wat 'doen alsof' betekent. Het heeft verwanten in andere Germaanse talen die ook een vergelijkbare betekenis hebben.
Veelgestelde vragen over veinzen
Wat is de betekenis van veinzen?
veinzen betekent: (inerg) zich onecht voordoen, iemand in de waan trachten te brengen
Hoeveel betekenissen heeft veinzen?
veinzen heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Wat zijn synoniemen van veinzen?
Synoniemen van veinzen zijn: fingeren, simuleren, voorgeven, huichelen.
Hoe gebruik je veinzen in een zin?
Voorbeeld: “Hij veinsde er niets mee te maken te hebben, ook al was hij de voornaamste boosdoener.”
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘huichelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240