veld

onzijdig (het)/vɛlt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een open, onbebost, grotendeels vlak stuk land
    Er vloog een kiekendief over het veld.
    Ik zette mijn tent op een afgelegen veldje op.
    'Maar waar moeten wij dan wonen? Jij, Cornelia en ik? Aan de Prinsengracht, op de zolder van Van Loos? In een hut aan de rand van het veld van mevrouw Van Loos?' 'We vinden wel een plek'.
  2. sport (sport) een stuk land dat speciaal voor het bedrijven van een veldsport gereedgemaakt is
    De speler werd na die overtreding het veld uitgestuurd.
  3. akker
  4. natuurkunde, elektrotechniek (natuurkunde) (elektrotechniek) ruimte waarbinnen een kracht of een stelsel van krachten werkt of kan werken
  5. vakgebied, werkgebied
  6. plaats van onderzoek
  7. spel (spel) vak op een (speel)bord
    Een schaakbord heeft 64 velden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘akker, vlakte’ voor het eerst aangetroffen in 802

Uitdrukkingen

  • Veld winnenSteeds belangrijker worden
  • Het veld behouden
  • Het veld ruimenVertrekken om plaats te maken voor een ander
  • In geen velden of wegen te bekennen/zien zijnHelemaal nergens te vinden zijn
  • Uit het veld geslagen zijnHelemaal van streek zijn

Vertalingen

Engelsfield, field
Fransterrain de sport, champ
DuitsFeld, Feld, Spielfeld
Spaanscampo, campaña
Russischполе