ventilator
mannelijk (de)/ˌvɛntiˈlatɔr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (werktuigbouwkunde) apparaat dat een ruimte frisser doet aanvoelen door het verwekken van een luchtstroom (meestal d.m.v. een draaiende schroef)De tests gingen niet van een leien dakje. De eerste keer was er een probleem met de mobiele draagraket. Een systeem dat ventilatoren gebruikt om schadelijke gassen buiten te houden werkte niet naar behoren. De tweede keer ging het mis omdat medewerkers een ventiel niet hadden opengedraaid.
Etymologie
*van """, op te vatten als van ventileren ; in de betekenis van ‘toestel voor het ventileren’ aangetroffen vanaf 1754
Vertalingen
Engelsfan, ventilator
Fransventilateur
DuitsVentilator
Spaansaventador, soplador, ventilador
Portugeesventilador
Poolswentylator
Zweedsfläkt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek