verkeer

onzijdig (het)/vərˈker/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) het geheel van verplaatsingen waarbij goederen of personen vervoerd worden
    Yoshida schaamt zich als hij commotie in het verkeer veroorzaakt.
    Omdat er toen nog maar zo weinig verkeer langskwam, was het extra spectaculair.
    Het verkeer op de A4 staat volledig vast.
  2. omgang b.v. geslachtsverkeer
  3. communicatie (communicatie) het overbrengen van berichten via een communicatiekanaal (post, telefoon, telegram etc.) -> dataverkeer

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘voertuigen en personen die de openbare weg gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in 1843

Vertalingen

Engelstraffic
Franstrafic, circulation
DuitsVerkehr
Spaanstráfico