verliefdheid

vrouwelijk (de)/vərˈlifthɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. amoureuze gerichtheid op een bepaalde persoon
    Zijn verliefdheid deed hem zijn redelijkheid verliezen.
    Ik dacht na. Ik stelde me voor dat wat ik voor mijn Bechstein-piano voelde het dichtst in de buurt van verliefd zijn kwam. 'Als je eenmaal aan verliefdheid begint, kom je er niet meer van af. En je moet er dagelijks mee bezig zijn. Ik moet ook dagelijks piano studeren. Besef je wel...' {{Aut|Sandes, David
    Een onbeschrijfelijk gevoel, net als verliefdheid, waardoor alles om je heen er mooier gaat uitzien.

Etymologie

*Afgeleid van verliefd .

Vertalingen

Fransamour
DuitsVerliebtheit
Spaansenamoramiento
Italiaansinnamoramento
Portugeesnamoro
Zweedsförälskelse