verslapen

/vərˈslapə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) te lang blijven slapen met als gevolg dat men een afspraak mist
    Hoewel we ons versliepen, haalden we het vliegtuig nog op het nippertje.
    Op een ochtend versliep ik me en kwam te laat op de zwemtraining.

Etymologie

*Afgeleid van slapen .

Vertalingen

Engelsoversleep
Duitsverschlafen