verspreiden

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in omloop brengen, over een groter oppervlak uitbreiden
    Deze ziekte wordt door ratten en hun vlooien verspreid.
    ‘De maatregelen zoals nu door de overheid genomen, zijn terecht, volgens mij. Ik zelf loop niet veel risico, gezien mijn leeftijd, maar ik kan het wel verspreiden. Mijn ouders zijn ook nog relatief jong en gezond, ik denk niet dat zij extra risico lopen.
  2. refl (refl) zich ~: een proces van uitbreiding ondergaan
    De ziekte verspreidde zich.
    Hij zegt: 'Aan de randen van het Amazonewoud zijn de meeste branden. Ze zijn aangestoken door mensen. Het is nu de droogste tijd van jaar in het Amazonegebied. Door de droogte verspreiden de branden zich heel snel. En het brandseizoen is pas twee weken bezig.'
    In delen van de Amerikaanse staat Florida zijn quarantainemaatregelen genomen om te voorkomen dat de Afrikaanse reuzenslak zich verder over de staat verspreidt.

Etymologie

*afgeleid van spreiden

Vertalingen

Engelsdisperse, disseminate, scatter
Fransdisperser, disséminer, divulguer
Duitsverstreuen, verteilen, ausbreiten
Spaansesparcir, diseminar, desparramar
Italiaansdivulgare
Turksyaymak, yayılmak