verstomming
vrouwelijk (de)/vərˈstɔmɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- verlies van het vermogen te spreken, onvermogen om geluid voort te brengenHet enige goede maar onder tijdelijke verstomming bedolven antwoord op een belediging, de kleine spijt nadat een mop met haar juiste timing ook haar bestaansrecht is verloren en het compliment dat enkel deze ene onuitgesproken keer niet gekunsteld zou zijn overkomen: in het Frans en in het Duits kunnen we ze benoemen.
- (figuurlijk) grote verbazing
Etymologie
* afgeleid van "verstommen"
Uitdrukkingen
- met verstomming slaan
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek