verwachting
vrouwelijk (de)/vərˈwɑxtɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- datgene wat verwacht wordtDe verwachting is uitgekomen.Voldoen aan verwachtingen is niet altijd makkelijk.De verwachting is dat donderdag voor het eerst de krachtsverhoudingen tussen de klassementsrenners zichtbaar worden. Het is zeven kilometer klimmen naar 1148 meter en er zitten huiveringwekkende stijgingspercentages tussen, van boven de 20 procent.
Etymologie
* van verwachten
Uitdrukkingen
- Dat ligt in de lijn der verwachting — Dat valt te verwachten, dat gaat waarschijnlijk gebeuren
- In verwachting zijn — Zwanger zijn
Vertalingen
Engelsexpectation
Fransattente
DuitsErwartung
Spaansexpectación, expectativa, previsión
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek