verwendheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het al te zeer gewend zijn alles te krijgen wat men wil
    Hun vrouwen - dat was Quispel niet ontgaan - speurden met ietwat samengeknepen ogen Zwanets gezicht en houding af naar tekenen van verwendheid, van behaagzucht.
    Ingetogen en niet tevreden over zichzelf stapte Oleksandr Zinchenko (20) gisteravond de kleedkamer uit na de verrassende winst van Jong PSV op koploper VVV (2-1). De mimiek van de huurling van Manchester City had niets met verveeldheid, hooghartigheid of verwendheid te maken, integendeel.

Etymologie

* afleiding van verwend