verzetten

/vərˈzɛtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) zich ~ tegen: weerstand bieden aan iets
    Omdat Demosthenes zich zo fel bleef verzetten tegen de Macedonische machthebbers, zelfs na de dood van Alexander de Grote, stuurde Antipater, een van de opvolgers van Alexander, zijn mannen op hem af.
    Zij zouden zich ook niet verzetten tegen hun arrestatie, ook niet als de waakhonden beten.
    Zij verzetten zich danig tegen de overvallers.
  2. ov (ov) van de ene op de andere plaats zetten
    Terwijl hij, zijn bagage nog in de hand, aan de waard die achter de tapkast stond, vroeg of er een kamer vrij was, verzetten de bezoekers, voor zover ze niet biljartten, maar aan tafeltjes langs de muren van de gelagzaal zaten, hun stoelen om hem beter te kunnen zien.
    Hij verzette zijn koning om schaak te voorkomen.
    Wat moest ik doen als er ’s nachts onverwacht toch iemand langs zou komen rijden? Ik kroop mijn tent uit en verzette nogmaals alle haringen om zo nog minder in de weg te staan.
  3. inerg (inerg) werk ~ veel aan het arbeidsproces bijdragen
    Hij heeft altijd veel werk verzet.
    Maar deze vakantie heeft ons geleerd dat we problemen kunnen oplossen, bergen kunnen verzetten en ja, zelfs het onmogelijke durven aankijken.
  4. scheepvaart (scheepvaart) een zijdelingse beweging maken
  5. ov (ov) afleiding of vermaak bezorgen

Etymologie

*Afgeleid van zetten .

Uitdrukkingen

  • bergen kunnen verzetteneen haast onmogelijke taak kunnen aanpakken en volbrengen

Vertalingen

Engelsresist, stand up to, displace
Duitswidersetzen, umsetzen, verlagern