verzweren

/vərˈzwerə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga, onpr (erga), (onpr) tot een zweer verworden, ontstoken raken
    De wonde verzwoor en wilde niet genezen.
werkwoord
  1. ov (ov) afzweren
    Hij verzwoer de alcohol.
  2. zich~ zich middels een eed verbinden

Etymologie

*[B] Afgeleid van zweren