verzweren
/vərˈzwerə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga), (onpr) tot een zweer verworden, ontstoken rakenDe wonde verzwoor en wilde niet genezen.
werkwoord
- (ov) afzwerenHij verzwoer de alcohol.
- zich~ zich middels een eed verbinden
Etymologie
*[B] Afgeleid van zweren
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek