vicepresidentschap

onzijdig (het)/ˌvisəˌpresiˈdɛntsxɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bestuursfunctie waarin men als plaatsvervanger van de voorzitter van een organisatie wordt beschouwd
    Het vicepresidentschap van de Raad van State, het belangrijkste adviesorgaan van de regering en tevens de hoogste bestuursrechter, komt dit najaar vrij door het pensioen van zittend vicepresident Piet Hein Donner (CDA).
    De stroomlijning is onderdeel van hervormingen als antwoord op massale protesten tegen corruptie en zwak bestuur. (…) Volgens het plan worden ook de drie vicepresidentschappen en drie vicepremierschappen opgeheven.
  2. vervulling van een bestuursfunctie waarin men als plaatsvervanger van de voorzitter van een organisatie wordt beschouwd
    Obama noemt het aanstaande vicepresidentschap van Kamala Harris, de eerste vrouw in die functie, baanbrekend. „Ik zou niet trotser kunnen zijn.”

Etymologie

*afgeleid van "vicepresident"