viervoeter
mannelijk (de)/ˈvirvutər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dier dat zich op vier poten verplaatst
- voorwerp dat op vier poten staat
- (dichtkunst) dichtregel van vier versvoeten
Etymologie
*[1] vermoedelijk leenvertaling "Vierfüßler" en "Vierfüßer"
Uitdrukkingen
- edele viervoeter — paard
- trouwe viervoeter — hond
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek