vijf

mannelijk/vrouwelijk (de)/vɛif/

Betekenis

telwoord
  1. 5, het getal tussen vier en zes
  2. om een hoeveelheid aan te geven
    De meeste Tetrapoda hebben vijf vingers en vijf tenen aan hun handen en voeten.
    De resterende vijf maanden heb ik nooit meer een onderbroek aan gehad.
    De totale kosten bedragen vijf euro en zevenendertig cent.
  3. om een plaats in een volgorde aan te geven
    Het juiste antwoord op opgave vijf is "42".
zelfstandig naamwoord
  1. het cijfer vijf
    Het getal 35255 bevat drie vijven.
  2. dat wat in een (rang)ordening met 5 is aangeduid
    Het is weer de vijf die het niet doet, kunnen we die niet simpel vervangen?
    Hij had maar een vijfje voor zijn wiskunde gekregen.
  3. groep van 5 eenheden
    Die vijf zijn natuurlijk blij, maar laten we ook denken aan het verdriet van de vier die zijn afgewezen.

Etymologie

* (erfwoord) via Middelnederlands "vijf" van Oudnederlands "fīf" / "finf", als telwoord voor het eerst aangetroffen in het jaar 701

Uitdrukkingen

  • Iemand de vijf gevenIemand een hand geven
  • Veel vijven en zessenVeel afwegingen of bezwaren, veel voor- en tegenargumenten
  • ze niet alle vijf hebben

Vertalingen

Engelsfive
Franscinq
Duitsfünf
Spaanscinco
Italiaanscinque
Portugeescinco
Russischпять, пятёрка
Japans五, 五つ, いつつ
Koreaans다섯, 오
Arabischخمسة
Turksbeş
Poolspięć
Zweedsfem
Deensfem