villa

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvila/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) een groot en vrijstaand huis
    Hij woont in die grote villa daar.
    Het Grand Hotel was al in 1893 klaar, het sanatorium tien jaar later, aan de zuidkant van de spoorweg werden grote villa's gebouwd, de huizen van de arbeiders kwamen aan de noordkant.
    In de villa tegenover me was het donker en stil.

Etymologie

* Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘landhuis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824

Vertalingen

DuitsVilla
Turksvilla
Zweedsvilla