vin

mannelijk/vrouwelijk (de)/vɪn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uitstekend lichaamsdeel van vissen en andere aquatische dieren die zij gebruiken voor de voortbeweging
    Een vis heeft zowel gepaarde als ongepaarde vinnen.
  2. sport (sport) een zwemvin, gebruikt bij het snorkelen en duiken, onderdeel van een snorkeluitrusting en duikuitrusting
  3. sport (sport) klein zwaard [3], soms meerdere, onder een kite- of surfboard

Etymologie

*Afkomstig van het Middelnederlandse woord vinne

Uitdrukkingen

  • Geen vin verroerenGeen enkele beweging maken, zich volledig stilhouden

Vertalingen

Engelsfin
Fransnageoire
DuitsFinne, Flosse
Spaansaleta, aleta natatoria
Russischплавник, ласт