vinger

mannelijk (de)/ˈvɪŋər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) elk van de 5 gelede extremiteiten waar de hand zich in splitst
    Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.
    Het was hoogzomer en ik liep tot mijn oksels door het hoge gras, strekte mijn armen uit en liet mijn vingers over de grassprieten glijden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘grijporgaan aan hand’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Uitdrukkingen

  • Als men hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand.Hij maakt op onbescheiden wijze gebruik van wat hem is toegestaan, hij maakt misbruik van iemands welwillendheid.
  • met een natte vinger
  • Dat klopt als een zwerende vinger.Dat klopt precies.
  • Dat kun je op je vingers natellen.zeer gemakkelijk nagaan, inzien
  • de elfde vinger(synoniem) penis
  • de vinger aan de pols houdende nieuwste ontwikkelingen bijhouden
  • de vinger op de mond leggen; de vinger op de lippen leggenzwijgen, niets (over)vertellen, of aldus aanduiden dat men zwijgen moet
  • de vinger op de wond of zere plek leggenprecies zeggen waar een gebrek schuilt

Vertalingen

Engelsfinger
Fransdoigt
DuitsFinger
Spaansdedo
Italiaansdito
Portugeesdedo
Russischпалец, перст
Chinees手指
Japans
Koreaans손가락
Arabischاصبع
Turksparmak
Poolspalec
Zweedsfinger
Deensfinger