vioolsleutel
mannelijk (de)/viˈjolsløtəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek) teken geplaatst op de tweede lijn van een balk dat aangeeft dat deze een g weergeeftPas op, er staat nu een vioolsleutel.
- (muziek) (verouderd) stelschroef om een snaar van een strijkinstrument te spannenAan deze pen wordt de snaar bevestigd, en wel zo dat de snaar rond de pen wordt opgerold zoals bij een vioolsleutel.
Etymologie
**[2] sleutel in de betekenis "voorwerp om op te winden"
Vertalingen
Engelsviolin clef, treble clef
Fransclef de sol
DuitsViolinschlüssel
Russischскрипичный ключ
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek