visite

mannelijk/vrouwelijk (de)/viˈzitə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. formeel (formeel) bezoek (van personen bij elkaar in het bijzonder van een patiënt bij een arts)
  2. de personen die op bezoek zijn

Etymologie

*van het Frans

Vertalingen

Engelsvisit
Spaansvisita