vislijn
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvɪslɛin/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (visserij) draad met daaraan een of meer haken bestemd om vis te vangenGedesillusioneerd rolde ik mijn vislijn weer op en borg het haakje weer veilig weg.
- (visserij) touw dat een visnet met een vissersschip verbindt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek