vislijn

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈvɪslɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. visserij (visserij) draad met daaraan een of meer haken bestemd om vis te vangen
    Gedesillusioneerd rolde ik mijn vislijn weer op en borg het haakje weer veilig weg.
  2. visserij (visserij) touw dat een visnet met een vissersschip verbindt