visserszoon

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. jongen of man die waarvan de vader vissen vangt als beroep
    Nu moet je ook een lepel pakken, denk eraan dat je eigenlijk een visserszoon bent'Een uur later stonden ze samen bij de steiger in een wolk van krijsende meeuwen en maakten de kabeljauw schoon en deden hun best om de mooiste filets te snijden.
    De publieke opinie wist het antwoord wel, uiteraard. De hardwerkende visserszoon Kuyt kreeg al het voordeel van de twijfel, Blind was een prutser en een nitwit.