visstick

mannelijk (de)/ˈvɪstɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) rechthoekig staafje gefileerde, gepaneerde vis in (1,5 x 3 x 9 cm) geschikt om te bakken of te frituren
    Want Nederlanders eten überhaupt erg weinig vis en schaal- en schelpdieren. Wat we wél eten is zalm, bliktonijn, pangasius en vissticks, schreven onderzoekers van de Universiteit Wageningen in 2014 een artikel over visconsumptie.
    {{ouds|1996

Etymologie

* , vanaf 1964 onder het merk in Nederland op de markt gebracht (zie vindplaats hieronder)

Vertalingen

Engelsfish finger, fish stick
Fransbâtonnet de poisson
DuitsFischstäbchen
Spaanspalito de pescado
Japans白身魚のフライ
Poolspaluszki rybne
Zweedsfiskpinnar