vlag
mannelijk/vrouwelijk (de)/vlɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lap stof met een vast patroon van kleuren die gevoerd wordt als symbool van een organisatie, beweging of natieDe eigenaar van de vlag was nog bezig deze weer in te halen, toen een groene, open wagen met gehelmde Duitsers, voorbijreed.Overal hing de Nederlandse vlag te wapperen.De vlag hing toen in Nederland halfstok.
Etymologie
*van Middelnederlands "vlagge", in de betekenis van ‘stuk doek als onderscheidingsteken’ aangetroffen vanaf 1415
Uitdrukkingen
- De vlag dekt de lading niet — Het is niet wat het lijkt (veelal in ongunstige zin)
- Een vlag op een modderschuit — Iets moois dat wordt gebruikt als etiket op iets wat juist erg lelijk is
- De vlag hijsen/uitsteken — Blij met iets zijn, een overwinning vieren
- De vlag voor iemand strijken — Voor diegene onderdoen
- Met vlag en wimpel [winnen/slagen e.d.] — Een glorieuze overwinning behalen
- de vlag mag uit — er is iets te vieren
- : ᨄᨒᨀᨛ (palake)
- : флаг (flag) (sinds 1699)
Vertalingen
Engelsstandard, banner, flag
Fransdrapeau, étendard
DuitsFahne, Flagge, Banner
Spaansbandera, estandarte
Italiaansstendardo, bandiera
Portugeesbandeira, estandarte, pendão
Russischвымпел, знамя, флаг
Chinees旗子
Japans旗
Koreaans기
Arabischعَلَم, رَايَة
Turksayar, bayrak
Poolsflaga
Zweedsstandar, flagg, flagga
Deensfane, flag
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek