vlam

mannelijk/vrouwelijk (de)/vlɑm/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleinste vorm van vuur
  2. iemand waar men verliefd op is
    In het huidige seizoen komt, naast het liefdesgeluk van Gerda en Klaas, ook de nieuwe vlam van kapper Teun Föhn voorbij. Genoeg luchtige en vrolijke onderwerpen dus. ,,Over de schaduwkant van Urk willen we het juist niet hebben. Die kant komt in de media al zo vaak naar voren”, verklaarde Wong bij aanvang van het vierde seizoen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘tongvormig verbrandingsverschijnsel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265

Uitdrukkingen

  • in vlammen opgaan
  • vlam vattenin brand vliegen

Vertalingen

Engelsflame
Fransflamme
DuitsFlamme
Spaansllama
Italiaansfiamma
Japans炎, ほのお, honoo
Poolspłomień
Zweedslåga
Deensflamme