vlechten

/ˈvlɛxtə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) in elkaar strengelen
    Je kunt je haar op verschillende manieren vlechten.
    En ze had dik kastanjebruin haar, dat ik af en toe mocht vlechten.

Etymologie

*afgeleid van vlecht

Vertalingen

Engelsplait, braid, twine
Franstresser, natter
Duitsflechten
Spaanstrenzar, tejer, entrecruzar
Deensflette