Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

vlegelen

/ˈvleɣələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, landbouw, historisch (ov) (landbouw) (historisch) (van geoogst graan) herhaald slaan met een slaghout dat beweeglijk aan een steel is verbonden om graankorrels los te maken van de aren
    Het graan werd gevlegeld.
    {{ouds
  2. ov, figuurlijk (ov) (figuurlijk) een pak slaag geven
    Gil was razend. Uithouden? Hij zou Kimbed afranselen als een hond. Uithouden? Over de touwen zou hij Kimbed vlegelen.
  3. inerg (inerg) ondeugend zijn, zich als een kwajongen gedragen
    Vooral de jongen wordt het in huis veel te eng, zoals trouwens ook reeds gedurende de twee vorige jaren: met soortgenoten trekt hij er op uit om te zwemmen, straten en pleinen onveilig te maken, akkers en fruittuinen te plunderen en de boeren in ’t harnas te jagen, om te stoeien, te ravotten, te rukken, te trekken, te „vlegelen” in één woord, zonder iemand of iets te ontzien.

Etymologie

*[3] afgeleid van "vlegel" (2)