vocht

onzijdig (het)/vɔxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. water dat iets doordrenkt of als damp aanwezig is
    De muur zat vol met vocht en schimmels.
    Olive liet zich op een afgedankte schommelstoel zakken, voorzichtig, bang dat de lijm was aangetast door het vocht en de verbindingsstukken aangevreten door houtwormen.
    Hij legde uit dat je bijvoorbeeld je noedels of pasta met wat water in een lege pindakaaspot moest stoppen zodat het vocht er tijdens het lopen in kon trekken.

Etymologie

* In de betekenis van ‘vloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1477

Vertalingen

Engelsdamp
DuitsFeuchtigkeit