vogels

/ˈvoɣəls/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een klasse uit de chordadieren (), warmbloedige dieren met een skelet en veren waarvan de twee voorste ledematen zich tot vleugels hebben ontwikkeld
    Vogels hebben relatief veel energie nodig: meer dan spinnen. Wereldwijd verbruiken ze net zoveel energie per jaar als de stad New York.

Uitdrukkingen

  • Vogels van diverse pluimagemensen met allerlei diverse achtergronden