voorlijk

onzijdig (het)/ˈvorlɛɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) de lijn (lijkentouw) die ter versteviging aan de voorkant van een zeil vastgemaakt is op een zeilschip
    Het voorlijk van de fok wordt met leuvers aan de voorstag bevestigd.

Etymologie

*bijvoeglijk naamwoord, bijwoord: afleiding van voor (bijwoord)