vooroplopen
/vorˈɔplopə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) als voorste lopenToen de drie Duitsers hier binnenkwamen, moesten wij hen helpen zoeken. Wij moesten de kasten en deuren openen en altijd maar vooroplopen. Nu, dat durfden wij wel te doen omdat we wisten, dat hier toch geen Russen waren. Bron:T.M. Sjenitzer-van Leening (red.)Dagboekfragmenten 1940-1945Veen, Utrecht / Antwerpen 1985[http://www.dbnl.org/tekst/sjen001dagb01_01/sjen001dagb01_01_0218.php DBNL - Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren]
- (ov) (figuurlijk) op anderen vooruit zijnDat doen we door samen te werken met partijen die in hun vak vooroplopen.
Vertalingen
Duitsvoranlaufen, führend sein, tonangebend sein
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek