voorzitter

mannelijk (de)/ˈvorzɪtər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) hoofd van een bestuur, leider van een vergadering
    Mao Zedong was voorzitter van de communistische partij en daarmee de leider van heel China.
    Volgens het IMF staat de internationale economie er nu wat beter voor dan een halfjaar geleden. Maar de uitdagingen blijven groot, stelde de voorzitter van het bestuurscomité Tharman Shanmugaratnam.

Etymologie

* van voorzitten

Vertalingen

Engelschairman, president
Fransprésident
DuitsVorsitzende
Spaanspresidente
Zweedsordförande