vork

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Wat is de betekenis van vork?

vork betekent: aftakking van een boomtak of van een weg

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aftakking van een boomtak of van een weg
  2. gereedschap, huishouden (gereedschap) (huishouden) voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
  3. gereedschap (gereedschap) bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
  4. werktuigbouwkunde (werktuigbouwkunde) fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork
  5. schaak (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt

Voorbeelden van "vork" in een zin

  • ' De zoon zweeg, stak zijn vork in de jodenhaas en begon te snijden.
  • De man met de misselijkmakende aftershave, zijn vork halverwege zijn bord en zijn mond.
  • Hij at zijn frietjes met een vork.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘getand werktuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • Te veel hooi op de vork nemenmeer willen doen dan je aankan, te veel werk op zich nemen, de hoeveelheid werk niet aankunnen
  • Weten hoe de vork in de steel zitprecies weten wat er gebeurd is

Vertalingen

Engelsfork, fork
Fransfourchette, fourchette, fourche
DuitsAstgabel, Gabel, Gabel
Spaanstenedor, horca, horquilla
Italiaansforchetta, forchetta
Portugeesgarfo, garfo
Russischвилка, вилка
Chinees餐叉
Japansフォーク
Koreaans포크
Arabischشوكة
Turksçatal, çatal
Poolswidelec
Zweedsgaffel, gaffel
Deensgaffel