vreemdheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets dat niet gewoon is; iets dat afwijkend is; iets dat onbekend is; iets dat raar is
    'Was het Bacon niet die zei dat is er geen schoonheid is, zonder wat vreemdheid in de proporties?'
    ‘Plotseling, uit het niets, voelde ik de koelte en vreemdheid van de handen van een vreemde die mijn blote borsten van achteren omsloten’, zo omschrijft ze het voorval.
  2. grootheidin de kwantummechanica

Etymologie

* *afgeleid van vreemd

Vertalingen

Engelspeculiarity, strangeness, oddness