vrij.

mannelijk (de)/ˈvrɛidɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. afkorting, tijdrekening, dag (afkorting), (tijdrekening), (dag) vrijdag, de vijfde dag van de werkweek
    De vergadering is vrij. 14 aug. a.s.|De vergadering wordt op vrijdag 14 augustus aanstaande gehouden.

Etymologie

*(verkorting) van het Nederlandse zelfstandige naamwoord vrijdag