vrijheidsboom

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ter gelegenheid van een bevrijdingsfeest opgerichte boom
    " En plotseling breekt haar geestdrift uit: „Een vrijheidsboom op de Dam!" roept zij met haar luide, klinkende stem, die vibreert tegen de wanden van haar kleine kamer.
    Een kinderlijk popelend plezier voor de avond die haar te wachten staat, verdrijft haar zorgen van een paar uur geleden, toen Dirk Egbert bemodderd en vermoeid is thuisgekomen en niet zoals zij had verwacht, opgetogen verhalen deed over het planten van de vrijheidsboom in Gent, maar zwijgend en haastig zijn laarzen heeft verwisseld en in een miserabel humeur bleek te zijn.