vroegmis

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een H. Mis die - ook op werkdagen - vroeg in de ochtend wordt opgedragen om aldus de gelovigen, met name de boeren, in de gelegenheid te stellen deze plechtigheid bij te wonen alvorens aan het werk te gaan
    De gevolgen waren zeker in Nederland enorm. „Alles wat bekend, vertrouwd en vanzelfsprekend was, zou verdwijnen.” De biecht bijvoorbeeld, en de dagelijkse vroegmis, en de klassieke schoolcatechismus, en het Latijn in menige kerkdienst. Het aantal priesters en paters „dat het niet meer wist” en uittrad, nam exponentieel toe. Reformatorisch Dagblad A. de Heer 18-01-2012 [https://www.rd.nl/kerk-religie/historicus-jos-palm-beschrijft-ondergang-rooms-katholicisme-in-nederland-1.649892 Historicus Jos Palm beschrijft ondergang rooms-katholicisme in Nederland]
    Zaterdagavond werkte ik altijd op de markt, in een café. Eer dat dan sloot én je alles schoongemaakt had, was het minstens vier uur in de morgen. Daarna ging ik naar huis, pakte nog een paar uur slaap en zorgde dan dat ik op tijd was voor de vroegmis, die om 9.00 uur begon. Reformatorisch Dagblad Addy de Jong 04-05-2018 [https://www.rd.nl/vandaag/politiek/cda-kamerlid-van-helvert-doe-ik-eigenlijk-wel-het-goede-1.1485721 CDA-Kamerlid Van Helvert: Doe ik eigenlijk wel het goede?]