vrucht
vrouwelijk (de)/xxxx/
Wat is de betekenis van vrucht?
vrucht betekent: volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant
- ongeboren jong van een dier of mens
- voortbrengsel
Voorbeelden van "vrucht" in een zin
- De vruchten van die bomen worden op regelmatige tijdstippen geplukt.
- De vrouw ziet er niet zwanger uit, maar de vrucht is er wel degelijk.
- Ik wilde dat kind terug, de vrucht van mijn schoot, onveranderd, precies zoals hij was, die unieke Frans-Engelse combinatie, die mengeling van Andrew en mij: het langgerekte gezicht van Andrew, zijn blauwe ogen, en mijn wenkbrauwen, mijn kin.
- En nu, op de drempel van de volwassenheid, werd ze uitgelachen omdat ze een vrucht aan een Spaanse boom was.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘ooft, ongeboren jong’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Uitdrukkingen
- aan de vruchten (her)kent men de boom
- hoe iemand is kan men zien aan hoe hij zich gedraagt
- ook de beste boom geeft slechte vruchten
- ook de beste ouders kunnen kinderen hebben die het slechte pad opgaan
- op dezelfde stam groeien verschillende vruchten
- kinderen met dezelfde ouders kunnen toch veel van elkaar verschillen
- verboden vruchten zijn de zoetste
- verboden dingen zijn vaak het aantrekkelijkst
Vertalingen
Engelsfruit, foetus
Fransfruit, fœtus
DuitsFrucht
Spaansfruto
Portugeesfruto
Russischфрукт
Turksmeyve
Poolsowoc
Zweedsfrukt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek