wacht

/ʋɑxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (m) iemand die tot taak heeft iets te bewaken
    De wachten werden volledig overrompeld.
  2. (f)/(m) een tijd waarin men de taak heeft iets te bewaken
    Hij hield vanaf middernacht de wacht en werd om drie uur afgelost.
  3. (f)/(m) een plaats waar men waakt
  4. (f)/(m) een groep die tot taak heeft iets te bewaken
    De wacht werd volledig overrompeld.

Etymologie

* van waken

Uitdrukkingen

  • num=1De wacht houden
  • num=1Op wacht staan
  • Iemand de wacht aanzeggeneen laatste waarschuwing geven
  • Iets in de wacht slepenIets bemachtigen

Vertalingen

DuitsWache, Wächter, Wache
Deensvagt, vagt