wagen

mannelijk (de)/ˈwaɣə(n)/

Wat is de betekenis van wagen?

wagen betekent: kar

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kar
  2. verkeer (verkeer) auto
werkwoord
  1. ov (ov) iets riskants ondernemen
  2. ov (ov) iets ondernemen waarvan je niet zeker bent dat het zal lukken`
  3. refl (refl) zich ~ : een risico op zich laden

Voorbeelden van "wagen" in een zin

  • De laatste keer dat ik een poging had willen wagen was tijdens dat etentje bij mij thuis, op die bewuste avond.
  • De laatste keer dat ik een poging had willen wagen was tijdens dat etentje bij mij thuis, op die bewuste avond.
  • Hij vertrekt en keert zijn wagen op de brede weg.
  • Teresa hoorde de mannen uit de wagen springen en de achterklep openmaken.
  • Er werd een poging gewaagd de rivier over te steken.

Etymologie

* In de betekenis van ‘voertuig’ aangetroffen vanaf 838

Uitdrukkingen

  • het paard achter de wagen spannen

Vertalingen

Engelswagon, car, dare
Fransvoiture, auto, oser
DuitsWagen, Auto, wagen
Spaanscarro, coche, arriesgar
Russischавтомобиль, машина
Deensbil, vove