wagen

mannelijk (de)/ˈwaɣə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kar
    De laatste keer dat ik een poging had willen wagen was tijdens dat etentje bij mij thuis, op die bewuste avond.
    De laatste keer dat ik een poging had willen wagen was tijdens dat etentje bij mij thuis, op die bewuste avond.
  2. verkeer (verkeer) auto
    Hij vertrekt en keert zijn wagen op de brede weg.
    Teresa hoorde de mannen uit de wagen springen en de achterklep openmaken.
werkwoord
  1. ov (ov) iets riskants ondernemen
    Er werd een poging gewaagd de rivier over te steken.
    Ondanks alle verboden wagen een paar muzikanten zich later die avond op straat om voor geld een deuntje ten gehore brengen.
  2. ov (ov) iets ondernemen waarvan je niet zeker bent dat het zal lukken`
    De laatste keer dat ik een poging had willen wagen was tijdens dat etentje bij mij thuis, op die bewuste avond.
    Ik liep ten slotte bijna elke dag dezelfde afstand als een marathon, dus dacht ik een kansje te kunnen wagen.
  3. refl (refl) zich ~ : een risico op zich laden
    Daar waagde hij zich niet aan.

Etymologie

* In de betekenis van ‘voertuig’ aangetroffen vanaf 838

Uitdrukkingen

  • het paard achter de wagen spannen

Vertalingen

Engelswagon, car, dare
Fransvoiture, auto, oser
DuitsWagen, Auto, wagen
Spaanscarro, coche, arriesgar
Russischавтомобиль, машина
Deensbil, vove