wagenschot

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rechtdradige, gladde, dunne eiken planken
    Wanneer je door het gangetje tusschen de smederij en wagenmakerswinkel ging om de kortste weg naar het Weeshuis te nemen, ging je over het erf waar al het hout van de wagenmaker lag, al het 'wagenschot' onder de schrale pereboomen.
  2. plank van een wagen