wanboffen
/ˈwɑmbɔfə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) geen geluk hebben, pech hebbenDe R.V.V. heeft dus wel ontzettend gewanboft maar toch zette men daar koppig door.Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek, Volume 4 Enquête-Commissie Regeringbeleid 1940-1945. Uitgegeven 1950Levend begraven, de kleine Albert. Wat je noemt wanboffen, zou zijn moeder zeggen. {{Aut|Lemaitre, Pierre
Etymologie
*afgeleid van "wanbof" ; op te vatten als
Vertalingen
Engelsbad luck
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek